de balans van braem
provincie Antwerpen

Bouwen en Wonen: Braem aan het woord

Rond 1950 verschenen verschillende nieuwe architectuurtijdschriften die de ‘levende architectuur’ beter wensten te definiëren en de consument wilden aanzetten tot een groter architectonisch bewustzijn. Zo was er het Gentse Architectura (1948) met onder meer architect Gaston Eysselinck als medewerker, Rythme (1948-1967), de opvolger van het belangrijke L’Emulation, Architecture (1952-1970), ontstaan ter ondersteuning van het modernisme in de kringen rond de school van La Cambre, en Ruimte (1953-1956), onder leiding van architect Huib Hoste en criticus K.N. Elno.

Renaat Braem, de meest strijdbare theoreticus uit die dagen, lanceerde in 1953 zijn eigen tijdschrift Bouwen en Wonen. Maandblad voor architectuur, stedebouw, woningpolitiek, beeldende kunst, binnenhuiskunst en industriële vormgeving. Het blad hield een tiental jaren stand. Daarna probeerde Braem het nog even met Plan (1964-1965), waarvan slechts vijf nummers verschenen.

Bouwen en Wonen bestreek een brede belangstellingssfeer. Hoofdredacteur Braem kon hiervoor rekenen op een ruime groep redacteurs. Zelf leverde hij voortdurend bijdragen over architectuur en sporadisch over stedenbouw, Walter Bresseleers stond in voor stedenbouw, Jul De Roover voor binnenhuiskunst, Eliane Havenith voor bouwtechniek en Paul Serneels voor beeldende en grafische kunst. Verder kon Braem regelmatig beroep doen op een netwerk van losse binnen- en buitenlandse correspondenten. Het blad was tegelijk een vakblad en een opinieblad. Het volgde de binnenlandse ontwikkelingen op de voet, maar maakte ook regelmatig plaats vrij voor buitenlandse realisaties en actualiteit. Bijzondere aandacht ging naar bouwtechnische aspecten, met onder meer themanummers over hout, beton, baksteen en linoleum. Het blad schuwde ook de controverse niet. In doctrines, commentaren en kritieken propageerden de auteurs hardnekkig en met overtuiging hun ideeën.

Samen met de andere tijdschriften illustreren Bouwen en Wonen en Plan op een treffende manier de architectuurcultuur van de jaren 1950 en 1960. Ze documenteren ook Braems realisaties en theorievorming en geven een goed beeld van zijn interesses, voorbeelden en ontgoochelingen.




literatuur

Bouwen en Wonen, 1953-1964.
Plan, 1964-1965.
Dubois, M., ‘Architectuurtijdschriften: een fragmentair beeld’, in De beschikbare ruimte. Reflecties over bouwen (Tielt 1990) 130-141.
Van Impe, E., ‘Beheer en ontsluiting van Belgische architectuurtijdschriften. Een pilootproject’, Bibliotheek- & Archiefgids (mei-juni 2010) 10-16.
Vanlaethem, F., ‘Architectuurtijdschriften’, in A. Van Loo ed., Repertorium van de Architectuur in België van 1830 tot heden (Antwerpen 2003) 204-209.
Verpoest, L., ‘Bouwen en Wonen’, in A. Van Loo ed., Repertorium van de Architectuur in België van 1830 tot heden (Antwerpen 2003) 171.





Braem stelt

10 geboden voor een architectuur

die zich niet meer op sleeptouw zou laten nemen door ijdele en voorbijgaande modes,

die geen façade meer zou zijn om geestelijke luiheid achter weg te moffelen,

die niet meer in voortdurend gevaar zou verkeren te verzinken in een nieuw academisme,

die geen tweespalt zou laten bestaan tussen vorm en inhoud en niet meer vergeten zou dat de architectuur een sociale kunst is,

die eindelijk zou worden: DE KUNST OM DE RUIMTE TE ORGANISEREN MET ALS UITEINDELIJK DOEL DE PHYSISCHE EN GEESTELIJKE BEVRIJDING VAN DE MENS

1. Geen enkele vorm mag “A PRIORI” aanvaard of toegepast worden.

2. Iedere vorm dient uit zijn bestemming te worden afgeleid, uit zijn functie in het geheel van het menselijke levensmilieu, de ordening der ruimte het doel zijnde, de constructie het middel.

3. De volmaaktheid van de vorm moet gemeten worden naar de graad van harmonie bekomen tussen de zuiverst mogelijke uitdrukking van de functie en de zuiverst mogelijke uitdrukking van de materiële middelen te werk gesteld om aan de bestemming te voldoen.

4. De bestemming is steeds en gelijktijdig geestelijk en stoffelijk, de vorm moet met een minimum aan instemming en materiaal aan deze dubbele functie beantwoorden.

De geestelijke functie is niet minder belangrijk dan de stoffelijke, ze drukt zich niet uit door het aanwenden van een willekeurige vormentaal of het toepassen van ornament, maar door het opzoeken van de meest passende uitdrukking der – overigens aan de functies gebonden – vormen;

De uitdrukking van de geestelijke bestemming wordt bereikt door de toepassing van de meest passende vormengamma = de keuze der materialen, de verhoudingen, de kleur, de juiste keuze tussen de verscheidene mogelijke constructieve oplossingen.

5. Het is even vals de oude stijlvormen in moderne materialen om te zetten, als zich in te spannen om ten allen prijze met de traditionele materialen het uitzicht van een moderne constructie te willen suggereren. Ieder materiaal, oud of nieuw, moet volgens zijn karakteristieke eigenschappen worden toegepast. Ieder materiaal, hoe traditioneel ook, kan rationeel aangewend, tot een voor onze tijd kenschetsende uitdrukking leiden.

6. Originaliteit moet niet beschouwd worden als een doel op zichzelf. Ons doel moet zijn een steeds grotere overeenstemming te vinden tussen vorm, functie en constructie, met de voor ieder geval meest aangepaste materialen. De economie der middelen, t.t.z. het beste resultaat bereiken met het minste gebruik aan kracht en stof, is een absoluut basisprincipe, dat de artistieke verbeelding niet uitsluit, integendeel, voor de verbeelding een veel vruchtbaardere weg opent dan het louter formeel en decoratief gefantazeer.

7. De toepassing van “stijl” vormen, welke niet verklaard worden uit een rationele conceptie van de constructie, of niet scherp overeenstemmen met de klare ontleding der functies, moet op de meest absolute wijze veroordeeld worden.

Ieder bouwen of herbouwen “in stijl” dient veroordeeld als tegenstrijdig met de regelen van professionele eerlijkheid welke het beroep van architect dienen te leiden.

Om de draad van de ware traditie opnieuw op te nemen dienen wij zo goed mogelijk te beantwoorden aan de materiële en spirituele noden van ons volk, en dit met de meest doeltreffende middelen van onze tijd, wat heel anders is dan de huidige slechte smaak van het publiek als richtsnoer te nemen.

Als we er in gelukken oplossingen te vinden welke overeenstemmen met de vereisten van ons klimaat en van onze bodem en met de positieve eigenschappen van ons volk, zal onze architectuur van zelf tot harmonie komen met de voortbrengselen van het heerlijke verleden en op een waardig plan haar eigenheid herwinnen en vrijwaren. De vormen van het verleden copiëren en als een leugenachtig masker voor wezensvreemde ruimten en constructies toepassen, is verraad aan dit verleden en verraad aan het volk.

8. Het vraagstuk van de “vormengamma” verdient grote aandacht. De principes van de vormgeving van een woning, een werkplaats of een paleis moeten dezelfde zijn. De aangewende middelen om aan deze opdrachten te beantwoorden moeten echter totaal verschillen, willen ze in de drie gevallen telkens “FUNCTIONEEL” zijn.

Het gaat er inderdaad om verschillende graden van plastische spanning, om juiste materiaal- en kleurenkeuze in verband met de geestelijke functies, om de psychologische factoren welke samenhangen met het gebruik der te scheppen ruimten. Monumentaliteit is dus zaak van vormexpressie eerder dan van ornamentenrijkdom of afmetingen.

9. Al deze directieven omvatten niet de minste beperking van de artistieke uitdrukking der persoonlijkheid, maar willen aan deze de steun verschaffen van menselijke constructieve doeleinden. Door de vormenfantazie en de geest van constructieve vindingrijkheid te stellen in het teken van het hoogbestemde principe DIENEN!

10. De idee de vorm als synthese van de functie en de constructie voorop te stellen dient uitgebreid tot de beeldhouwkunst, de schilderkunst en de zgn. decoratieve kunsten.

Deze dienen niet te worden toegepast als achteraf bij te voegen ornament, maar als integraal deel van de rationele en complete oplossing van het vraagstuk gesteld aan de architect.

Deze dient bij machte te zijn, in deze kwestie, zoals voor het technisch gedeelte der conceptie, zijn taal als “maître d’oeuvre” te vervullen.


quote uit

R. Braem, ’10 geboden voor een architectuur’, Bouwen en Wonen (oktober 1953) 4-5.



1/2

vorigevolgende
6 beelden
vergroot foto's
Omslag <em>Rythme</em> (1958, afl. 25).
Omslag <em>Rythme</em> (1958, afl. 25).Omslag <em>Architecture</em> (1952, afl. 1).Omslag <em>Ruimte</em> (1953, afl. 1).P. Serneels, omslag <em>Bouwen en Wonen</em> (1953, afl. 1).P. Serneels, omslag <em>Bouwen en Wonen</em> (1953, afl. 2).Omslag <em>Plan</em> (1964, afl. 2).