de balans van braem
provincie Antwerpen

Bouwkundig erfgoed, een selectief klankbord

Radicaliseerde Braem zijn visie op de omgang met het bouwkundig erfgoed? De confrontatie met de teksten waarin hij het onderwerp behandelde, suggereert dat inderdaad. Van ‘harmonie tussen fris modern en fris oud’ in 1966 naar ‘ stadsherwaardering is iets van onaangepaste achterlijken’ in 1993, het is een hele stap. Niettemin was hij consequenter dan het lijkt. Al van bij het begin was Braems discours over monumentenzorg en stadskernvernieuwing bepaald door dezelfde herkenbare ingrediënten en lag ook hun hiërarchische plaats vast in zijn ideeënwereld. De vertolking van zijn standpunt kreeg gaandeweg weliswaar een andere, meer radikale klankkleur. Dat leidde tot tegenstrijdigheden en krasse uitspraken die haaks staan op de brede cultuurhistorische gelaagdheid waaraan een moderne, wetenschappelijk ondersteunde werking rond historisch erfgoed dient te beantwoorden. Deze vaststelling is opmerkelijk, te meer omdat Braem een bevoorrecht getuige was van de groei van monumentenzorg in België tot volwaardig onderzoeks- en beleidsdomein. Hij speelde er bovendien een wezenlijke rol in als lid en waarnemend voorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) sinds 1969.

Voor Braem had respect voor en behoud van het monumentale erfgoed slechts betekenis als ondergeschikt onderdeel van een veel complexere taak, met name de creatie van een stimulerende en heilzame leefomgeving voor de van zijn ideologische en economische ketenen bevrijde mensheid. Zijn ultieme ideaalbeeld was een land, ingericht volgens het regulerende principe van schoonheid, geïnspireerd op en trouw aan het Vlaamse cultuureigen, met integratie van zowel waardevol monumentaal erfgoed als van de natuurrijkdom. Braem zag de KCML niet alleen als een instrument om belangrijk erfgoed te redden, maar ook om de geestelijk verknechte bevolking te sensibiliseren, om een schonere leefwereld uit te bouwen. Idealiter diende de KCML te evolueren tot een Hoge Instantie voor Visuele Kultuur. Op het terrein dienden architecten een leidende rol in deze hooggestemde esthetische en ethische strijd te spelen. In dit abstracte en consequent volgehouden standpunt kon het wel degelijk belangrijk zijn om specifieke cultuurbepalende gebouwen en gehelen te redden, niet alleen om hun intrinsieke waarde, maar vooral ook omdat ze een buffer vormden tegen de banaliteit van de eigentijdse bouwpraktijk. In die geest kwam Braem op voor de redding van bepaalde individuele monumenten en buurten zoals de Cogels-Osylei in Berchem. Daarbij kon hij steunen op een onbevangen en scherpzinnig oordeel, dat verder reikte dan de architectuurhistorische canon van dat ogenblik. Zo is het bepaald opmerkelijk dat Braem in 1948 een artikel over de bouwkunst in Antwerpen in de 19de en 20ste eeuw niet alleen illustreerde met typerende monumenten in neostijlen en art nouveau, maar ook met voorbeelden van sobere eenheidsbebouwing aan de Tabakvest en de Leopoldstraat. Een vroege appreciatie voor weinig opvallende maar heldere en structurerende bebouwing die pas veel later bredere aandacht zou krijgen.

Anderzijds was Braems visionaire wensdroom niet compatibel met de heersende consensus over monumentenzorg waarin een panoramische visie ontwikkeld werd, gaande van een zelfstandig beleidsdomein met wet- en regelgeving over bouwhistorisch en architectuurhistorisch onderzoek tot materieel-technisch onderzoek en restauratietechnieken. Deze visie werd verankerd in het internationaal gehuldigde Charter van Venetië (1964). Door zijn aparte kijk op de ideale taak van de KCML kon Braem tegelijk een actief lid van de KCML zijn maar zich ook afzijdig houden
bij de toenmalige intensieve opbouw van een eigentijdse monumentenzorg. Die voltrok zich in navolging van de internationale tendens ook in Vlaanderen in de jaren 1960-1970, met actiegroepen van geëngageerde monumentenzorgers, colloquia, beginnende expertise en onderzoek, plaatselijke (steden)bouwkundige experimenten en nieuwe wet- en regelgeving.

Ook in Antwerpen was in de jaren 1960 de overtuiging gegroeid dat een fundamentele ommekeer aan de orde was. De stad had weliswaar een lange geschiedenis van afbraak en hevig protest daartegen, maar de toenmalige dreiging was van een andere orde, gezien de ongeziene schaalgrootte en de snelheid waarmee het historische substraat van de stad afnam ten voordele van de ‘Manhattisering’ van de stadskern. De afwezigheid van een geëigend beleid en de toenemende ontvolking van de stad vergemakkelijkten deze trend. In verschillende delen van de stad verschenen hoogbouwprojecten zoals de Theater Building alias Tijsmanstoren (1965-1971), gebouwd op de plaats van het gesloopte Vlaams Theater aan de Italiëlei, en in de onmiddellijke omgeving daarvan de Antwerp Tower (1968) aan de De Keyserlei op de plaats van het Grand Hôtel Weber. Het protest, gedragen door verschillende verenigingen en individuele experten, groeide naar aanleiding van spraakmakende dossiers. Antwerpen grossierde er in de jaren 1960 in: de afbraak in 1963 van het huis De Fraula in de Keizerstraat, de afbraak in 1966 van het huis Dens op de Meir, de dankzij aanhoudende contestatie afgewentelde bedreiging van het Peerdsbos door de aanleg van de E10 en het fel bekritiseerde project om een aantal oude gevels in het provinciaal domein Bokrijk herop te bouwen als een stadswijk. Dit protest ging gepaard met wetenschappelijk onderzoek, multidisciplinair samengestelde congressen en met een concreet streven om een ander beleid te realiseren. In de nog weinig onderzochte geschiedenis van de Antwerpse monumentenzorg kunnen alvast enkele mijlpalen aangehaald worden die het bochtige parcours hebben afgebakend.

De Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon (KVNS) nam enkele opmerkelijke initiatieven die studie en praktische uitvoering probeerden te combineren. In 1962 wijdde de vereniging een voordrachtencyclus aan het probleem van de historische stadskernen. In 1966 installeerde ze een commissie voor monumentenzorg en hetzelfde jaar publiceerden de architecten-urbanisten Walter Cogge en Walter Toubhans een plan tot revalorisatie van de Antwerpse historische stadskern in het tijdschrift van de vereniging. Dit plan betekende een mijlpaal naar een hernieuwde omgang met het historische stadsweefsel. In 1968 organiseerde de KVNS in Antwerpen een succesvol Congres over Monumentenzorg en Historische Kernen met veel vertegenwoordigers van Belgische en Nederlandse overheden. De resoluties bepleitten de realisatie van een tot dan toe onbestaand integraal monumentenbeleid in België, voorzien van zowel een adequaat wettelijk kader als van financiële en administratieve slagkracht, uitgevoerd volgens wetenschappelijke principes en met aandacht voor de brede ruimtelijke inbedding van monumenten. In een referaat over de aantasting van het monumentenbezit haalde spreker L. Theo Van Looij het toen pas verschenen Lelijkste land ter wereld aan om de vinger op de wonde te leggen: ‘Konfrater Braem slingerde voor kort de slogan “België lelijkste land van de wereld” in ons nationale kippenhok, buiten het gekakel natuurlijk zonder het minste effekt, enerzijds omdat hij zoals alle slogans onjuist is door onvolledigheid, maar voornamelijk omdat het hele probleem ons als volk zo koud schijnt te laten’.

In de praktijk gebeurde het omgekeerde: op 17 februari 1970 bundelden actiegroepen, verenigingen en experten hun krachten door de oprichting van het Aktiekomitee Oude Stadskern. Het comité had als voorzitter architect L. Theo van Looij. Tot het comité behoorden figuren uit de cultuursector zoals Piet Baudouin, conservator van het Provinciaal Museum Sterckshof, architect-stedenbouwkundige Victor Blommaert, professor aan het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedebouw (NHIBS), architect-stedenbouwkundigen Walter Cogge en Walter Toubhans, vertegenwoordigers van alle politieke partijen en verenigingen waaronder KVNS, Koninklijke Maatschappij der Bouwmeesters van Antwerpen, Vlaamse Architectenvereniging, Bond Vlaamse Stedebouwkundigen, een afvaardiging van studenten van het NHIBS, Association Internationale des Urbanistes, Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Grotonderzoek en de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen. Het comité beoogde een aantal omvattende eisen, zoals een absoluut sloopverbod voor het gebied van de Antwerpse stadskern binnen de wallen van 1250, de inzet van het plan Cogge-Toubhans of een soortgelijke studie als werkinstrument, en openbaarheid van beleidsbeslissingen over de plaatselijke monumentenzorg. De persmededeling naar aanleiding van de oprichting wees op het dramatische gehalte van de situatie waarin de stadskern verkeerde: ‘Wanneer het verder gaat zoals nu zal over vijf jaar het probleem geen oplossing meer behoeven: Antwerpen zal dan geen historische kern meer bezitten’. 

In enkele jaren tijd tekende zich een traject af dat wijst op een snelle verdieping en rijping van de oppositie tegen de teloorgang van het bouwkundig erfgoed. Etappes zoals het congres uit 1968 en de stichting van het Aktiekomitee Oude Stadskern in 1970 hadden groeiende bewustwording en basiskennis verspreid over een netwerk van gelijkgestemde individuen en verenigingen. Geëngageerd onderzoek werd ingezet ten dienste van actuele dossiers, zoals Zurenborg, waarvoor in de periode 1970-1972 niet minder dan drie studies werden gewijd, met een zwaarwegend effect op de beschermingsprocedure voor deze unieke belle-époquewijk in Berchem. Een andere studie was het Pieter Pot Plan uit 1970 door een groep studenten van het NHIBS, geïnspireerd door een gastcollege van de modernistische architect Maxwell Fry. De actiegroep Oude Stad (AGOS) herwerkte dit onderzoek waarna het in 1972 werd uitgegeven. Het plan analyseerde de wijk van het voormalige Pieter Potklooster in de oude binnenstad vanuit verschillende standpunten en parameters – architectuur- en cultuurhistorische waardebepaling van de bebouwing, bevraging en bewustmaking van de bewoners over hun leefmilieu, analyse van de bevolkingsstructuur, van verkeersstromen, van economische activiteiten en mogelijkheden. Op basis daarvan kwam een genuanceerd plan tot stand dat met kleinschalige ingrepen trachtte een verwaarloosde buurt de nodige impulsen te geven.

Het beleid onderging inmiddels een ingrijpende modernisering. In 1968 werd de KCML gesplitst in een Nederlandstalige en een Franstalige commissie. In 1972 ontstond de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg, die de in 1967 ingezette inventarisatie en publicatie van het bouwkundig patrimonium overnam en beleidsondersteuning leverde, onder meer bij de bescherming van monumenten, landschappen, dorps- en stadsgezichten, die een grote inhaalbeweging onderging. Ook het lokale beleid in Antwerpen kwam tegemoet aan deze evolutie. In 1969 werd Lode de Barsée het eerste hoofd van de stedelijke Monumentendienst, terwijl de stad in 1971 in de persoon van Bob Cools de eerste schepen voor Ruimtelijke Ordening kreeg.

Braem bleef steeds een consequente en krachtige pleitbezorger voor de bescherming van bedreigde monumenten en sites die hijzelf beschouwde als cultuurbepalend. Even rechtlijnig bleef hij afwezig uit het kamp van protestgroepen - waarin verschillende van zijn confraters én medeleden van de KCML zaten - omdat hij geen heil zag in hun standpunten. Daarbij voerde hij geleidelijk aan een rigider discours, dat uiteindelijk zelfs tot tegenstrijdigheden leidde. De redding en herwaardering van het bouwhistorische substraat van oude stadskernen was in Braems visie nooit een doel op zich geweest, en steeds minder beschouwde hij het als een middel op weg naar zijn ideaal van een gezonde en menswaardige leefomgeving. Die overtuiging, die aan invloed won door Braems uitstraling als cultureel zwaargewicht en door zijn positie als ondervoorzitter van de KCML, verklaart hoezeer Braems inzet in concrete monumentendossiers kon verschillen: van enthousiast voorvechter voor de bescherming van gehelen zoals de Cogels-Osylei in Berchem en een huizengroep van Emile Van Averbeke in Antwerpen tot medeplichtige conformist in dossiers zoals een project voor hoogbouw in de Keizerstraat, dat in 1971 wel goedgekeurd raakte door de KCML maar nooit tot uitvoering kwam. Diezelfde visie begeleidde ook zijn eigen hoogbouwprojecten in historische stadskernen zoals het administratief centrum (1957-1967) in Antwerpen, waarvan weliswaar enkel de Politietoren aan de Oudaan gerealiseerd werd. De uiterste consequentie van zijn visie op waardevol gebouwenpatrimonium, omgang met historische stadskernen en eigentijdse urbanisatienoden blijkt al vroeg uit het urbanisatieplan Antwerpen Rechteroever dat hij in 1935 in samenwerking met Huib Hoste ontwierp. Het behield entiteiten zoals Zurenborg en stadsgedelen die voldeden aan de eisen aan de moderniteit, maar de rest van de stad diende gesloopt voor heraanleg en nieuwbouw. Deze visie heeft Braem steeds blijven aanhouden, tegen de stroom in.

Fragment. Wie schrijft die blijft – Braem (25 november 1987) (© VRT-Beeldarchief)




Braem stelt

Wat te doen? M.i. is een aanpassing van de oude historische kernen aan de uiterste konsentratie van produktie en ekonomie niet mogelijk. Men kan de oude kernen echter blijven gebruiken, mits wijziging in hun sociale bestemming, d.i. in plaats van er mensen in grote dichtheid bijeen te persen, er de dichtheid te verminderen door afbreken van de "achterhuizen", in de bouwblokken verscholen fabriekjes, stapelhuizen en dgl. De tegen de dorre eentonigheid en kultuurvreemdheid van het hedendaagse bouwen afstekende oude gebouwen kunnen, mits verzorging en aanpassing, zeer wel aan allerlei kulturele en semi-kulturele doeleinden dienstbaar worden gemaakt, terwijl een aangenaam wonen, mits beplanting der binnenkoeren, zeer goed mogelijk blijkt, gezien de hoge verdiepingshoogten en grote ramen van veel ogenschijnlijk "versleten" oude huizen. Ik meen dat men de oude kernen als waardevol erfgoed dient te beschutten tegen vernietiging.


quote uit
R. Braem, 'Wat doen we met de historische stadskernen?', 't land van Ryen 16 (1966) 147.

1/3

vorigevolgende
17 beelden
vergroot foto's
Bedreiging van historisch erfgoed bestond natuurlijk ook vóór de jaren 1960, maar niet op dezelfde schaal. De plannen om het stadhuis uit te breiden in de richting van de Gildekamersstraat ontketenden in de jaren 1930 felle weerstand, en voor de protestbrochure uit 1936 schreef James Ensor een bijdrage.
Bedreiging van historisch erfgoed bestond natuurlijk ook vóór de jaren 1960, maar niet op dezelfde schaal. De plannen om het stadhuis uit te breiden in de richting van de Gildekamersstraat ontketenden in de jaren 1930 felle weerstand, en voor de protestbrochure uit 1936 schreef James Ensor een bijdrage. De bebouwing van de Gildekamersstraat achter het stadhuis.Vanaf de jaren 1960 verschenen in het historische stadscentrum van Antwerpen verschillende hoogbouwprojecten met een beduidende impact op hun omgeving. Eén van de meest centraal gelegen is het administratief centrum (1957-1967) van Braem, waarvan weliswaar enkel de Politietoren aan de Oudaan gerealiseerd werd. Foto F. Philippi.Het Vlaams Theater of Volksschouwburg aan de Italiëlei werd in 1964 gesloopt en vervangen door de Tijsmansbuilding.Grootschalige verminking van het stadsweefsel gebeurde ook buiten het historische stadscentrum van Antwerpen. Op het Zuid verdween de Hippodroom in 1972.In 1979 werd het Tolhuis aan de Sint-Pietersvliet gesloopt. De meesterwoning van schilder Ferdinand De Braeckeleer, ontworpen in 1840 door Louis-Auguste Serrure. Dit gebouw moest wijken voor de bouw van de Centrale Openbare Bibliotheek aan de Lange Nieuwstraat in 1968-1970.De Zwanengang richting toegang aan de Sint-Jacobsmarkt. Deze gang werd rond 1970 weggesaneerd en ter plaatse ligt nu het Frans Halsplein. Betoging in Antwerpen tegen de aanleg van de E10 door het Peersbos, 30 november 1968.Protest tegen de bedreiging van het Peerdsbos op de 15de Natuurbeschermingsdag van de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon op 15 september 1968. Foto Leon Goossens.Actie voor het behoud van het Noordkasteel in Antwerpen, 1969.De afbraak van historische panden en de verhuis en heropbouw in Bokrijk lokte onmiddellijk protest uit. Cartoon in Natuur- en Stedeschoon (1970, afl. 1).Prins Albert te gast op het Congres over Monumentenzorg en Historische Kernen in 1968, georganiseerd door de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon. Foto Guy Hagens.Het Aktiekomitee Oude Stadskern zag in 1970 het licht als reactie tegen de aanhoudende afbraakgolf in de Antwerpse binnenstad.Ook de kabouterbeweging protesteerde in 1970 tegen de teloorgang van het historische stadscentrum in Antwerpen.Globale waardebeoordeling voor de historische bebouwing van de buurt van het Pieter Potklooster volgens het Pieter Potplan (1970/1972).Het monumentenjaar 1975 presenteerde het monumentale patrimonium aan het grote publiek als waardevol en tegelijk kwetsbaar cultuurbezit.