de balans van braem
provincie Antwerpen

De BP-building in Antwerpen

Braem waarschuwde in de jaren 1950 en 1960 meermaals voor ‘de dreiging ener al te eng funktionalistische en zich in dienst der industrie stellende “less is more” architektuur, die zou eindigen geen architektuur meer te zijn’. Deze formalistische architectuur bracht alleen ‘effen klompen’ voort, neutrale en uniform opgebouwde structuren ‘gekamoufleerd onder een dekmantel van glas en metaal’. De compositie werd herleid tot ‘een dominospel met vakjes in verschillende kleuren’, tot een ‘simplistische gevelindeling op basis van een gewone optelling en opstapeling van gelijke elementen’. Voor Braem was een gebouw allesbehalve neutraal, ‘het had een identiteit en was gemaakt door iemand’. De BP-building in Antwerpen was voor hem een geslaagd voorbeeld van zo een bezield gebouw.

Met de BP-building realiseerden de architecten  Léon Stynen  en Paul De Meyer een van de meest moderne en gedurfde kantoorgebouwen uit de jaren 1960 in België. Het verbaast dan ook niet dat het gebouw in 1964 door de Société Belge des Urbanistes et Architectes Modernistes bekroond werd tot het belangrijkste Belgische architectuurproject van het jaar. Het gebouw was de eerste Europese realisatie van een nieuwe constructietechniek, een hangsysteem met niet-dragende gevelwanden, een soort averechtse toren. Een strakke maatvoering, gebaseerd op Le Corbusiers Modulor, kenmerkt het ontwerp.

De ruggengraat van het gebouw zijn vier vrijstaande stalen kolommen en een verticale kooi van gewapend beton waarop de vloerplaten van twaalf verdiepingen uitkragen. De buitenrand van deze platen is met stalen kabels opgehangen aan een monumentale betonnen draagconstructie op het dak, bestaande uit twee hoofdbalken die op hun beurt negen dwarsbalken schoren. Dankzij dit systeem ontstaan optisch vrije gevels en is een flexibele indeling van de ruimte mogelijk. Het haast zwevende karakter van het gebouw wordt versterkt door het dwars onder de constructie geschoven volume met ontvangstruimten. Het congrescentrum, dat in het eerste ontwerp in het verlengde van deze ontvangstruimten lag, werd niet gerealiseerd.

De BP-building figureerde nog in een aantal andere ontwerpen van het architectenduo. Zo namen Stynen en De Meyer het kantoorgebouw op in een stadsuitbreidingsplan dat ze in het begin van de jaren 1960 ontwikkelden voor het Antwerpse stadsdeel Wezenberg. In dit plan maakte het gebouw deel uit van een reeks van zes torengebouwen, geposteerd langs de geplande ringsnelweg aan de rand van de tentoonstellingswijk en het Wilrijkse Plein. De architecten integreerden dit type kantoortoren enkele jaren later ook in hun wedstrijdontwerpen voor een economisch centrum op het Wilrijkse plein (1968-1972). Aantal en uitzicht van de torengebouwen varieerden naargelang van het voorstel. Van dit project zou uiteindelijk alleen het hotel (het huidige Crowne Plaza) gerealiseerd worden.




literatuur

Bontridder, A., Gevecht met de rede. Léon Stynen, leven en werk (Antwerpen 1979).
Braem, R., ‘Lever-Building New-York. Een voorbeeld van teamwork’, Bouwen en Wonen (oktober 1953) 36-39.
Braem, R., ‘Bij de Nuova Pirelli’, Bouwen en Wonen (december 1956) 625-627.
Novgorodsky, L., ‘Le nouveau bureaux de la société B.P. Belgium, à Anvers’, La Technique des Travaux 39 (1963) 130-139.
P.P., ‘L’Immeuble B.P. Belgium à Anvers’, Architecture afl. 56 (1964) 392-400.
‘Suspension structures. Office tower. Hung curtain walls’, Progressive architecture (september 1961) 204-207.





Braem stelt

In geen enkel opus is Stijnen “à la remorque” van de door de ingenieur opgelegde konstrukties. Hij aanvaardt de redelijke eisen welke zij, op basis van berekening en technische overweging menen te moeten formuleren, maar verwerkt deze elementen tot vormschone stukken architektuur. Zie bijv. het Telexgebouw te Brussel, waar bepaalde eisen inzake temperatuur en licht aanleiding geven tot een sprekende geveloplossing.

De laatste jaren gelukt het Stijnen steeds meer en meer zich van de voogdij der opdrachtgevers te bevrijden en onbevangen de volle maat van zijn talent te geven. Het BP-gebouw van Antwerpen is hier het overtuigende voorbeeld van.

Volkomen overtuigend is m.i. vanuit een zuiver architektonisch standpunt, het opvangen van alle druk in een massieve kern en het ophangen van de vloeren en gevel aan slechts aan trek werkende stalen onderdelen. Het gebouw krijgt daardoor een uitdrukking van overwinning op de zwaarte, welke een verfeestelijking betekent van de moderne techniek en een optimistische geesteshouding vertolkt.

Toch heeft dit burelenkompleks niet de stempel van de koene, maar kille technische prestatie welke zoveel duitse verwezenlijkingen voor ons ongenietbaar maakt. Het algemeen spel der verhoudingen, de materiaalkeuze, zijn zo dat iets van het fundamenteel humanisme, dat aan de basis lag van de wedergeboorte der bouwkunst, hier sprekend tot uiting komt. Dit komt slechts voor bij grote architektuur gemaakt door grote architekten.


quote uit
R. Braem, ‘De betekenis van het werk van architekt Léon Stynen’, Plan afl. 5 (1965).

1/2

vorigevolgende
8 beelden
vergroot foto's
Maquette van een niet-uitgevoerd ontwerp van de BP-building (z.j.)
Maquette van een niet-uitgevoerd ontwerp van de BP-building (z.j.)De pas voltooide kantoortoren aan de Jan Van Rijswijcklaan in Antwerpen (circa 1963).De toren in opbouw. Gezicht op de draagconstructie en de centrale betonnen kern (begin jaren 1960).Een dakgestoelte met stalen trekkers draagt de buitenzijde van de vloeren (circa 1963).Inkompartij van de BP-toren (circa 1963).Urbanisatieplan van Léon Stynen en Paul De Meyer voor de Wezenberg in Antwerpen (maquette 1961).Ontwerp van het bureau Stynen-De Meyer voor een economisch centrum op het Wilrijkse Plein in Antwerpen (maquette, circa 1968).Léon Stynen en Paul De Meyer. Ontwerp Esso Motor Hotel, Gerard Le Grellelaan in Antwerpen (begin jaren 1970).