de balans van braem
provincie Antwerpen

De redding van de Cogels-Osylei

Dreiging over Zurenborg


Zurenborg is een uitzonderlijk gegeven in Braems uitgebreide geschreven oeuvre. Weliswaar putte hij voor zijn teksten vaak uit zijn kennis van de architectuurgeschiedenis, maar uiterst zelden kwam het tot een monografisch opzet. Enkele keren wijdde hij een substantiële bijdrage aan architecten – zoals Emile Van Averbeke en Henry van de Velde – of aan stromingen – de art nouveau. Slechts één enkele realisatie kreeg dezelfde status, met name de Cogels Osylei. Het bewuste artikel verscheen in 1971, in het in brede kringen verspreide Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen. Daar was wel degelijk een reden toe: Zurenborg was op dat ogenblik zo bedreigd dat een aantal verenigingen en personen zoals Braem hun engagement lieten weerklinken. De dreiging, de acties en de redding vormen een te weinig gekend verhaal, waarvan hier de grote krachtlijnen worden gepresenteerd.

Zurenborg en zijn als representatieve avenue uitgewerkte Cogels-Osylei presenteerde zich van bij zijn ontstaan als een orgelpunt van een rijkelijk fin de siècle eclecticisme met nadrukkelijk theatrale en pittoreske accenten. Als extreem voorbeeld van die stijl, uitgewerkt op de monumentale schaal van een stadswijk, werd Zurenborg dan ook een spreekwoordelijk referentiebegrip in debatten over neostijlen, modernisme, monumentenzorg en modern wonen. Dat komt al vroeg naar voren in een overzichtsartikel van Dirk De Vos-Van Kleef over Bascourt en de architectuur van de 19de eeuw in De Bouwgids van 1923: ‘De gevolgen van het Akademisme zijn bij de uitbreiding onzer steden, allerellendigst geweest. We vinden ze terug in de hopeloos monumentaal getinte burgerwoninkjes, die men de laatste 20-30 jaar in onze nieuwe wijken gebouwd heeft. Aan deze lawaaierige huizen toch een monumentaal karakter, op kleine schaal, te geven was noodzaak. Alles liep natuurlijk uit op boerenbedrog en “schminck”! En toch wisten mannen als Bascourt en anderen in diezelfde periode een Cogelslei te bouwen waar het binnenste niet aan het buitenste geofferd werd en die er gerust mag zijn, ondanks al hare Romantiek. Jammer dat er een paar “Jugendstil”-huizen, door ultra-modernen van rond het jaar ’90 gebouwd, aldaar een vlek vormen die we gaarne zouden uitwisschen.’ Het oordeel radicaliseerde later, zoals Victor Blommaert in 1972 getuigde: ‘In de jaren ’30 had de Cogels-Osylei in de kringen van het architektuuronderwijs een ongunstige weerklank, juist wegens die verscheidenheid van stijlen. Het was een effekt van de kontestatie van toen. Bedrijvige architekten en studenten, gevoed met de teorieën van het ‘kubisme’ en de ‘nieuwe zakelijkheid’, spraken met verachting over de verderfelijke ‘stijl van de Cogelslei’ of de ‘stijl van Zurenborg’.

De wijk zelf gleed mettertijd af van gegeerde huisvesting van de burgerij naar een weinig aantrekkelijke woonbuurt met verouderde comfortvoorzieningen en gebrek aan infrastructuur, geplaagd door leegstand en sluipend verval door gebrek aan onderhoud. Dat werkte een wijziging van het bewoningsprofiel in de hand, met een instroom van een nieuw publiek met een alternatief en artistiek profiel. Eigenaars zagen deze evolutie met lede ogen aan. Niet alleen verloedering en demografische factoren, maar ook de stedenbouwkundige evolutie in de omgeving voerden de druk op, met name de aanleg van de Binnensingel en de bouw van het nieuwe spoorwegstation, twee ingrepen met een enorme impact op de gemeente. Het gemeentebestuur wilde inspelen op deze nieuwe situatie en Zurenborg de nodige impulsen geven.

Contestatie


Tegelijk engageerden experten zich voor de site en rijpte het idee om de wijk of althans bepaalde gebouwen ervan te beschermen. In die omstandigheden kon het gebeuren dat in juli 1969 het gemeentebestuur van Berchem een bouwaanvraag voor een flatgebouw in de Cogels-Osylei ontving en bij de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen (PCML) polste of er een beschermingsprocedure aan de gang was. Het antwoord luidde dat het voornemen bestond en de kwestie alvast werd bestudeerd. Dat klopte ook: op 4 april 1969 had Braem een beschermingsvoorstel ingediend bij de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML), wat het begin betekende van een succesvolle procedure. De bekendmaking ervan ontketende weliswaar een storm van protest. Eigenaars verenigden zich in een comité en betoogden dat bescherming een bijkomende hinderpaal tot modernisering inhield en de verloedering nog zou stimuleren. Ook het toenmalige gemeentebestuur van Berchem wilde geen beschermingsstatuut, niet alleen om de ontwikkeling van de buurt niet te hypothekeren maar ook uit vrees voor hoge financiële lasten, en stemde op 6 maart 1970 een protestmotie tegen het beschermingsvoorstel. Een uitspraak van burgemeester Ryckaerts tekent de verhitte sfeer rond het dossier: ‘Het mag geen broeinest worden van hippies, wij willen onze gemeente gezond houden’, zo tekende Gazet van Antwerpen op 19 maart 1970 op.

De aanzwellende polemiek werkte het engagement van verenigingen en experten in de hand. De Vlaamse Architectenvereniging (VAV) schaarde zich achter het beschermingsvoorstel en publiceerde op 16 maart 1970 een scherp artikel. Auteurs Herman Dewinter en Herman Melort bepleitten niet alleen het volledige behoud en de bescherming van de Cogels-Osylei, maar stelden bovendien het structurele onvermogen aan de kaak om een verantwoord beleid te realiseren rond waardevolle sites en gebouwen: ‘Het is een tragikomisch verschijnsel in dit land dat zowat elke straat op de duur behoefte zal hebben aan een beschermkomitee, enkel en alleen omdat op het gemeenschappelijk patrimonium bij voortduring aanslagen worden gepleegd door de zogenaamd “bevoegde” instanties, die enkel bevolkt lijken door lieden wier enige kompetentie de middelmaat is en wier enige aspiratie het blijkbaar is, op een “cleane” wijze de pensioengerechtigde leeftijd te behalen. Immers van ernstige vakkennis geven zij zelden blijk, van inventarizatie is geen sprake – laat staan van enige vorm van beleid – zodat met reden de vraag kan worden gesteld naar de rechtmatigheid van hun bezoldiging’. Gelijktijdig bepleitten ze in een open brief aan de Ministers van Nederlandse Cultuur en van Openbare Werken de uitvoering van het beschermingsvoorstel en hekelden ze de ‘beschamende zorgeloosheid waarmee in ons land reeds jarenlang met het gemeenschappelijk patrimonium wordt omgesprongen’.

Het plan KMBA – het plan Hoppenbrouwers


De Koninklijke Maatschappij voor Bouwmeesters van Antwerpen (KMBA) presenteerde op 23 april 1970 een voorstel dat beide standpunten trachtte te verzoenen. Het opzet werd in het tijdschrift Architecton toegelicht. Om de gevraagde stimulansen voor de wijk te garanderen en tegelijk het monumentaal patrimonium tenminste gedeeltelijk te vrijwaren voorzag het plan in een zonering van Zurenborg met daaraan gekoppeld duidelijk onderscheiden bestemmingen. Voor de zone van de Cogels-Osylei impliceerde dit restauratie van de bebouwing, die vervolgens een publieksgericht gamma van nieuwe functies zou toebedeeld krijgen: banken, hotels en handel. De tuinen zouden samengevoegd worden en heraangelegd tot een openbaar park. Voor de aangrenzende zone van de Waterloostraat en Generaal Van Merlenstraat dienden de meest bijzondere gebouwen gevrijwaard te worden, eventueel geflankeerd door gevels van te slopen panden in andere zones van Zurenborg. De zone begrensd door de Velodroomstraat, de Pretoriastraat en de Uitbreidingstraat, werd immers vrijgegeven voor sloop en halve hoogbouw, terwijl een randzone tussen de Gulden Vliesstraat en het station voorbehouden werd voor hoog- en laagbouw. De KMBA stelde voor om op basis van dit plan een ideeënwedstrijd voor stedenbouwkundigen te lanceren in functie van een nieuw BPA. Hoewel dit compromis een enorm deel van de historische bebouwing prijsgaf voor sloop, verbouwing en nieuwe functies, viel het niet in goede aarde bij het eigenaarscomité, dat de haalbaarheid van nieuwe functies in een substraat van historische panden als weinig realistisch beschouwde. Die zomer groeiden er in de voortuintjes van de Cogels-Osylei borden met slogans tegen de bescherming, gecounterd door affiches van voorstanders.

Het ministerie van Nederlandse Cultuur gaf architect Hoppenbrouwers de opdracht een nieuw plan uit te werken. Hoppenbrouwers, docent aan het Sint-Lucasinstituut in Schaarbeek, realiseerde zijn plan in september 1971. Het behield de volledige historische Zurenborg-site, terwijl de in het KMBA-plan gedefinieerde randzone tussen Gulden Vliesstraat en station eenduidig werd voorbehouden voor een nieuw op te bouwen winkelcentrum. Inmiddels was ook een werkgroep actief waarin gemeentebestuur van Berchem, eigenaars en architecten vertegenwoordigd waren. Op 26 januari 1972 organiseerde de KMBA een persconfentie waarop de architectengroep Hoppenbrouwers zijn plan toelichtte.

Onderzoek en bescherming


Het is opmerkelijk dat pas in deze periode waarin verschillende plannen het licht zagen, ook monografische teksten aan Zurenborg gewijd werden. Renaat Braem beet in 1970 de spits af met een kort artikel dat hij publiceerde in Open deur samen met hoofdredacteur Johan De Roey. In 1971 volgde Braems artikel in Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen. Het presenteerde de Cogels-Osylei voor het eerst op nationale schaal en definieerde ze als een belangwekkend architecturaal geheel met een evidente cultuurhistorische status. In 1972 publiceerde Victor Blommaert een eerste architectuurhistorische analyse van de wijk en de huizen in Natuur- en Stedeschoon. Architect-stedenbouwkundige Blommaert, docent aan het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedenbouw, deed dit in opdracht van de commissie voor monumentenzorg die de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon (KVNS) in 1966 had opgericht. Zijn artikel vormde een belangrijk inhoudelijk fundament voor het standpunt om de gehele wijk als landschap te beschermen en bijkomend een aantal gebouwen als monument te beschermen, zij het meestal beperkt tot gevels en bedaking.

De PCML onderzocht de voorstellen van de KMBA en van de architectengroep Hoppenbrouwers, het standpunt van de VAV en het rapport van de KVNS, en besloot op 24 februari 1972 dat rapport te gebruiken als basis voor een beschermingsvoorstel van een groot aantal gebouwen als monument en de gehele wijk als landschap. Op 6 januari 1974 werd een door sloop bedreigd ontwerp van Jozef Hofman in de Transvaalstraat als monument beschermd, gevolgd door de vier panden van Bascourt op de kruising Generaal Van Merlenstraat – Waterloostraat op 7 juli 1975. Op 10 januari 1980 volgde de bescherming van Zurenborg als stadsgezicht, inclusief een bouwblok aan de Uitbreidingsstraat dat deel uitmaakt van de randzone tussen Gulden Vliesstraat en station. Op 11 april 1984 volgde de bescherming als monument van een groot aantal gebouwen in de wijk.

Braem en Zurenborg


Braems interesse en engagement voor Zurenborg overstijgen de episode van bedreiging, contestatie en de uiteindelijke redding van de wijk. Hij heeft Zurenborg steeds als een waardevol en te behouden onderdeel van het Vlaamse erfgoed beschouwd: toen Braem in 1935 samen met Huib Hoste een urbanisatieplan voor Antwerpen Rechteroever ontwierp, reserveerden ze Zurenborg als een te behouden stadsdeel. Ook in latere publicaties haalde hij regelmatig bouwwerken uit de wijk aan. Zijn strijdbare engagement voor de redding van Zurenborg is dan ook een logisch gevolg van een overtuigde en consequent beleden appreciatie. Braems artikel in Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen had een grote strategische impact. Het tijdschrift had in samenwerking met de toenmalige BRT een multimediaal platform gecreëerd, waarbij artikels gecombineerd werden met uitzendingen op radio en tv. De kwaliteit en de reputatie van de medewerkers aan het tijdschrift, de verzorgde presentatie ervan en het enorme publieksbereik van de BRT die in dat tijdperk vóór de introductie van de kabeldistributie en vóór het kabeldecreet een monopoliepositie innam, stonden garant voor een cultureel emancipatorische impact op de Vlaamse bevolking. Het artikel van Braem en de uitzendingen over de Cogels-Osylei introduceerden de kwestie Zurenborg op nationale schaal als een gevestigde culturele waarde, wat strategisch een grote steun vormde voor het beschermingsdossier of althans voor de publieke verdediging ervan.

Beginfragment uit het tv-programma over de Cogels-Osylei van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, een realisatie van Jef Cornelis, uitgezonden op 4 augustus 1971. Enkel het ruwe beeldmateriaal staat momenteel ter beschikking. VRT-Beeldarchief.

Kort fragment uit het tv-programma over de Cogels-Osylei van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, een realisatie van Jef Cornelis, uitgezonden op 4 augustus 1971. Enkel het ruwe beeldmateriaal staat momenteel ter beschikking. Het braakliggende terrein waar in 1990 een woning door Christine Conix werd gebouwd, komt prominent in beeld. VRT-Beeldarchief.




Braem stelt

De Cogels-Osylei is een bijzonder boeiend voorbeeld van architectuur uit het historisch zo belangrijk overgangstijdperk 19e - 20e eeuw. Wij vinden er in bonte mengeling de uitingen van het 19e-eeuw eclecticisme en daartussen, als herauten van een nieuwe geest, een aantal m.i. waardevolle voorbeelden van de 'Art-Nouveau'-stijl, paradoxaal genoeg soms door dezelfde architect ontworpen! […] Dit is het geheim van de wonderlijke eenheid welke de Cogels-Osylei kenmerkt, ondanks de sterke verscheidenheid van bouwvormen. Een eenheid die nog steeds gunstig afstekt tegen de met de hulp van strenge bouwvoorschriften nagestreefde vormelijke uniformiteit van de meeste straten die de laatste jaren bebouwd werden. Ondanks de opgelegde kroonlijsthoogten en materiaalkleuren, blijven de moderne straatwanden chaotisch lelijk of onbenullig. De eenheid van geest der Cogels-Osylei wint het gemakkelijk van de nadrukkelijke eenheid van vorm in de "moderne", 'geürbaniseerde' straten.


quote uit
R. Braem, 'De Cogels-Osylei', Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, afl. 5 (1971) z.p.

9 beelden
vergroot foto's
De Brialmontvesting ter hoogte van Berchem, met in de verte de Uitbreidingsstraat bij de Cogels-Osylei.
De Brialmontvesting ter hoogte van Berchem, met in de verte de Uitbreidingsstraat bij de Cogels-Osylei.De idyllische groezeligheid van de Borsbeekse Poort vlakbij het begin van de Cogels-Osylei in Berchem, enkele jaren vóór de afbraak.Gezicht op de Cogels-Osylei kort na de bebouwing ervan.De plakkaatjesoorlog in de Cogels-Osylei leverde in de zomer van 1970 mooie kopij op voor de media. Artikel in Gazet van Antwerpen. De kranten volgden de kwestie Zurenborg op de voet, wat pittige quotes opleverde. Artikel in <em>Gazet van Antwerpen</em>, 19 maart 1970.In het maart-aprilnummer van 1972 publiceerde Natuur- en Stedeschoon het basisartikel van Victor Blommaert over Zurenborg. Cover met De Vier Seizoenen van Jos Bascourt (1899) in de Generaal Van Merlenstraat. Foto Filip Tas.Het plan van de KMBA voor Zurenborg veronderstelde verregaande ingrepen in het stedenbouwkundig weefsel van de wijk. Afbeelding uit het tijdschrift <em>Architecton</em>.Het plan Hoppenbrouwers streefde een maximaal behoud voor van Zurenborg.Op de plaats van de in 1933 afgebroken villa Mercurius van Jos Bascourt werd in 1949 een kleinere villa gebouwd. In 1990 ontwierp Conix Architects een eigentijdse woning ernaast. Gezicht op de Cogels-Osylei met rechts beide woningen. © Serge Brison.