de balans van braem
provincie Antwerpen

De 'Taaie woning'

Na de Tweede Wereldoorlog was het oplossen van de grote woningnood één van de belangrijke uitdagingen van de Belgische overheden. Een zo groot mogelijk aantal nieuwe woningen moest gerealiseerd worden. Twee tegengestelde discours over wonen werden daarbij geformuleerd. De katholieken streefden naar een versterking van het familiale leven. Zij waren voorstander van het bouwen van een eigen eengezinswoning, bij voorkeur op het platteland. Voor de socialisten stond coöperatie en gemeenschapszin centraal. Zij kozen voor groepswoningbouw met gemeenschappelijke voorzieningen. Bij hen vielen vooral het bouwen in en om de grote steden in de smaak, vooral omdat daar de woningnood het grootst was. Na jarenlange politieke twisten resulteerden beide objectieven in een subsidiewet. Het katholieke standpunt werd vastgelegd in de wet van minister De Taeye uit 1948, de socialistische ideeën werden uitgewerkt in de wet van minister Brunfaut uit 1949.

De zogenaamde wet De Taeye, goedgekeurd door een regering van katholieken en socialisten, wilde de verwerving of de bouw van een eigen woning aanmoedigen door middel van een premie of een lening met staatswaarborg. De premie bedroeg aanvankelijk 24.200 BEF en kon naargelang de gezinssamenstelling en de bouwplaats vermeerderd worden. Verder probeerde de wetgever met het formuleren van een aantal bijzondere voorwaarden de doelgroep zo duidelijk mogelijk te definiëren. Zo mocht de aanvrager geen eigenaar zijn van een andere woning en waren bouwgrond en bewoonbare oppervlakte aan maxima gebonden. Met zijn aanwijzingen over oppervlakte, bestemming en uitrusting van de ruimten legde de wet ook de criteria vast waaraan een ‘goede woning’ moest beantwoorden. De oorspronkelijke wettekst werd in de loop der jaren nog herhaaldelijk aangepast totdat het beleid rond bouwpremies in 1975 een regionale bevoegdheid werd.

Het succes van de wet De Taeye overtrof ruimschoots de verwachtingen van de initiatiefnemers. In 1954 waren al honderdduizend premies toegekend. Het enthousiasme over de bouwpremie werd echter niet door iedereen gedeeld. ‘Moderne’ architecten hadden heel wat bemerkingen over de vormelijke en constructieve resultaten van de premiewet. De meeste nieuwe woningen en wijken blonken volgens hen uit door slechte smaak, banaliteit, individualisme en gebrek aan stedenbouwkundige visie. Ook werd volgens hen de technische vooruitgang niet gestimuleerd. In plaats van een economischer bouwen te bevorderen door standaardisatie en prefabricatie hield de wet archaïsche bouwmethoden in stand. Door vele architecten en stedenbouwkundigen werd zij ook aangewezen als de grote schuldige voor de ruimtelijke verloedering van België. ‘Het is zelfs met goeden wil, zeer, zeer moeilijk onder de duizenden nieuwe De Taeye-woningen er enkele te ontdekken, als werken van Architektuur te beschouwen’, concludeerde Braem in zijn artikel ‘Alle De Taeye-woningen zijn niet lelijk’ uit 1954.

Het is juist dat de wet niet steeds hoogstaande architectuur heeft voortgebracht. Hij speelde echter wel een belangrijke rol bij de drastische vermindering van de woningschaarste in het naoorlogse België. Hij betekende een belangrijke stimulans voor de private woningbouw, lokte stedenbouwkundige initiatieven uit, betrok afgelegen dorpen en kleine gemeenten in de algemene ontwikkeling en vooruitgang en leidde tot de veralgemening van het kleinstedelijke karakter van België… kortom hij bepaalde mee het uitzicht van de Belgische gebouwde omgeving zoals we die nu kennen.


De eerstesteenlegging in 1954 van de 100.000ste premiewoning, in aanwezigheid van minister De Taeye. Beeldfragment uit het <em>Journaal</em> van 13 maart 1954. (© VRT-Beeldarchief)



literatuur

Braem, R., ‘Bouwen en nog bouwen, maar hoe?’, Bouwen en Wonen (februari 1954) 100-110.
Braem, R., ‘Alle De Taeye-woningen zijn niet lelijk’, Bouwen en Wonen (februari 1954) 110-114.
Theunis, K., ‘De Wet De Taeye. De individuele woning als bouwsteen van de welvaarstaat’, in Wonen in welvaart. Woningbouw en wooncultuur in Vlaanderen, 1948-1973 (Rotterdam-Antwerpen 2006), 66-77.





Braem stelt

De voorschoot grote tuintjes der De Taeye-huisjes geven noch ruimte, noch natuur, maar ersatznatuur in mini-formaat. De huisjes zelf, opgesteld volgens bijzondere plannen van aanleg -zonder verbeelding, of volgens het toeval van door grondspekulanten er door gekregen verkavelingsplannen - meestal gebouwd volgens plannen waar de tussenkomst van de architekt zich beperkte tot het zetten van een handtekening, zijn slechts ersatzwoningen, een overdekte en ingesloten plaats, maar geen woon-ruimte.
Alles er aan is vals. De gevel heeft niets met het plan te maken. Dit plan is een verzameling hokjes, met een trap om van beneden naar boven en van boven naar beneden te gaan. Het regent er meestal niet binnen. De gevel moet een illuzie van welstand geven door pseudo-sluitstenen en namaak blauwe hardsteen en dito enkadrementen rond de ramen. In de ramen glas in lood voor de gezelligheid en tegen het binnenloeren. In de voordeur een gestandardiseerd kunstijzerwerk. Naast de inkom een bloembak met plastieken... planten.
Vóór het voilen gordijn een 'Diane à la chasse', brons in plaaster, noch zichtbaar van binnen uit, noch te bewonderen door de voorbijganger. Voorhofje omzoond door grintpad, dat bijna de hele ruimte bedekt. In de resterende vier vierkante meter vier tulpen en één geranium, een afsluiting van in puin vallend metselwerk met ijzeren poortje, dat niet meer draaien kan en dus maar blijft openstaan. Overdreven? Kijk rond. 99% van wat na de bevrijding gebouwd werd, ziet er zo uit. We werden bevrijd van de barbaarsheid, maar bezet door de lelijkheid.'


quote uit
R. Braem, Het lelijkste land (Leuven 1968) 45-46.

1/3

vorigevolgende
9 beelden
vergroot foto's
Vele steden en gemeenten ontplooiden een actieve bouw- en woonpolitiek. Brochure <em>Komt te Mechelen wonen</em>, circa 1953.
Vele steden en gemeenten ontplooiden een actieve bouw- en woonpolitiek. Brochure <em>Komt te Mechelen wonen</em>, circa 1953.De bouw- en woonproblematiek dook regelmatig op in politieke propaganda. Gezicht op enkele Hobokense straten in socialistisch verkiezingsdrukwerk (begin jaren 1950).De Taeyewoningen in de Jozef Van Poppelstraat in Antwerpen (Deurne). Illustratie uit een informatiebrochure van de gemeente Deurne (1952).Braem liet geen kans onbenut om de ‘de Taaie woning’ te bekritiseren. Wenskaart voor het nieuwe jaar 1956.Herman Huygh. Ontwerp premiewoning (begin jaren 1950).Deze De Taeye-woning naar ontwerp van Jul De Roover figureerde in Braems artikel \'Alle De Taeye-woningen zijn niet lelijk\' uit 1954. Woning De Keyser, Keurvelstraat in Antwerpen (1950).In 1952 won architect Marc Segers met deze De Taeye-woning de prestigieuze Prijs van De Ven. Hoekwoning uit 1951, gelegen in de Mattheus Corvensstraat-Laurentia Potstraat in Antwerpen (Deurne).Roger Groothaert, De Taeye-woning voor Billiauws uit 1953, Jozef Nuytsstraat in Antwerpen (Borgerhout).Georges Baines tastte met deze compacte en boeiende woning de architecturale vrijheden van de De Taeye-wetgeving af. Woning Raymakers, Jozef Hertogslaan in Antwerpen (Wilrijk) (1960).