de balans van braem
provincie Antwerpen

Het 'goede wonen': wonen in de hoogte

Sinds het tweede kwart van de twintigste eeuw onderging het hele Belgische grondgebied een versneld verstedelijkingsproces. Dit fenomeen uitte zich na de Tweede Wereldoorlog, in volle wederopbouw, in een wildgroei van verkavelingen met uniforme eengezinswoningen en in de bouw van residentiële wijken, heel dikwijls in traditionele stijl. De steden breidden zich definitief uit over de periferie, dit ten koste van de stadskernen waar steeds meer bewoners wegtrokken. Het platteland moderniseerde en verloor voorgoed haar idyllische uitzicht. Hier deden op grote schaal het straatdorp, de lintbebouwing en de verkaveling hun intrede.

Geconfronteerd met de dwingende woningnood en gealarmeerd door de rampzalige gevolgen van de ongecontroleerde verstedelijking, ging Renaat Braem op zoek naar een voor hem meer kwalitatieve en natuursparende stads- en plattelandsontwikkeling. In deze zoektocht liet hij zich leiden door de opvattingen van de internationale architectenbeweging CIAM (Congrès Internationaux d’Architecture Moderne) over huisvesting en stedenbouw. Op het derde CIAM-congres, dat in 1930 in Brussel plaatsvond, verkozen de deelnemers de vrije hoogbouw als oplossing van het huisvestingsprobleem. Voor hen was hoogbouw het zichtbare symbool van de moderniteit en de gemeenschapszin. Het woonblok moest ontwikkeld worden als een klasseloos systeem van wooneenheden die een maximaal comfort boden op een minimale oppervlakte. Alle niet strikt levensnoodzakelijke activiteiten werden uit de privé-sfeer weggehaald en in collectieve voorzieningen ondergebracht. Stedenbouwkundige richtlijnen werden door CIAM gebundeld in het Charter van Athene uit 1943. Deze gids schreef het ideaal van de functionele stad voor, een gezoneerde stad waarin voor elke stedelijke functie of activiteit (wonen, werken, verkeer en cultuur of recreatie) een aparte zone werd voorzien. In de woongebieden moest er maar één woningtype toegepast worden: hoogbouw omgeven door voldoende vrije ruimte. Voor een beperkte maar actieve groep van architecten was de radicale transformatie van het stedelijke weefsel volgens deze inzichten het enige alternatief voor de complexiteit en de overbevolking van de oude stadscentra.

In de lijn van dit modernistische gedachtegoed schoof ook Braem hoogbouw en collectieve huisvesting als het ideaal naar voor. In zijn ontwerpen voor de Lijnstad (1934), de Satellietstad Lillo (1957) en de Bandstad België (jaren 1960) koos hij resoluut voor deze manier van wonen. Ook in zijn publicaties zette hij de vele voordelen van woontorens te midden van het eindeloze groen in de verf. Slechts in enkele gevallen, zoals in de woonwijken op het Kiel in Antwerpen (1950), op de Heizel in Brussel (1955) en in Sint-Maartensdal in Leuven (1957), slaagde hij erin om een aantal van zijn ideeën te realiseren.


Braem pleit voor hoogbouw: beeldfragment uit \'Renaat Braem architect urbanist\', interview door Ludo Simons voor het BRT-programma <em>Curriculum</em> (18 januari 1980). (© VRT-Beeldarchief)



literatuur

Bastiaensen, E.J., ‘Grote bouwwerven. Kiel Antwerpen. Sociale verantwoording van de hoogbouw’, Bouwen en Wonen (januari 1954) 44-47.
Braem, R., Het lelijkste land ter wereld (Leuven 1968).
Braem, R., ‘Stad van morgen’, Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten. Academiae Analecta, 43 (overdruk Brussel 1982).
Braem, R., ‘Economische, technologische, sociale en culturele feiten van vandaag die de huisvesting beïnvloeden’, Bouwen en Wonen (maart 1961) 124-139.





Braem stelt

Waar wonen we in de nieuwe stad?
Ik zegde reeds, waar het het schoonst en het gezondst is. De zich daartoe opdringende oplossing is, in een land waar plaats te weinig is, de hoogbouw als algemene regel, de laagbouw als uitzondering.
De hoogbouw brengt, in een doorschijnend plastiek omhulsel een aantal vrije vloeren waarop ieder bij middel van geprefabrikeerde elementen het plan zijner keus kan ontwikkelen - prefab.-wanden; verplaatsbaar en van ieder gewenste oppervlaktebehandeling, prefab.-kastenwanden, naar wens in te delen, prefab.-keuken en -bad -elementen welke slechts te verbinden zijn aan stroompunten en enkele aanvoer- en afvoerleidingen.
De gevels worden langs de binnenkant ingedeeld volgens de verschillende mogelijkheden van geprefrabrikeerde gevelelementen. Het uitzicht der glazen toren wordt dus bepaald door een architectonische doorschijnende buitenhuid, van een bepaald ritme, waardoor het bijna spontane leven spreekt van de verschillend geschikte en omsloten binnenruimten.
Het leven zelf wordt een vrij maar gedisciplineerd sprekend element der architectuur.
De verwarming en de verluchting functioneren gecombineerd en laten de woningruimte volledig beschikbaar voor iedere mogelijke indeling.
De orde brengt aldus de vrijheid, waar de vrijheid der De Taeye woningen slechts een hopeloze uniformiteit en de effectieve slavernij geven kan.
Men kan zich evenwel zeer goede reeksen individuele woningen indenken, technisch opgevat zoals de hoogbouw, d.w.z. met vrij plan, en genietend van dezelfde collektieve instellingen als de hoogbouw, voor kroostrijke gezinnen, of voor de uitoefeninge van bepaalde beroepen, voor pastorale poëten of individualistische architecten.
Geestes- en lichaamscultuur zouden aan de voet der blokken de nodige ruimte vinden waarvan zowel de landbouwers als de industriearbeiders, bedienden en intellectuelen zouden kunnen deelnemen, terwijl anderzijds de landbouw tot tegen de kern der grootstad zou bedreven worden zodat ook daar de kinderen zouden beseffen dat de melk niet van de fabrieken maar van de koeien afkomstig is.
Verder zou een nieuwe vormgeving zich eindelijk kunnen ontplooien bij het ontwerpen ven ensembles van een totnogtoe onbekende schaal.
Ongetwijfeld zouden nieuwe afmetingen immers leiden tot monumentale concepten, waardig van een nieuw type mens dat de laisser faire-laisser aller van het pre-atomisch tijdperk heeft laten varen om zelf planmatig aan zijn toekomst te werken. De moderne kunst zal uit de abstract doeken en beelden haar intrede doen in het leven zelf.
De bevrijde vorm zal eindelijk de vorm van vrijheid zijn.


quote uit
R. Braem, 'Economische, technologische, sociale en culturele feiten van vandaag die de huisvesting beïnvloeden', Bouwen en Wonen (maart 1961) 139.

1/2

vorigevolgende
7 beelden
vergroot foto's
In 1935 blikte het Luikse architectuurtijdschrift <em>L\'Equerre</em> terug op de realisaties van de vier eerste CIAM-congressen. Omslag <em>L\'Equerre</em> (1935, afl. 12).
In 1935 blikte het Luikse architectuurtijdschrift <em>L\'Equerre</em> terug op de realisaties van de vier eerste CIAM-congressen. Omslag <em>L\'Equerre</em> (1935, afl. 12).Het Charter van Athene in de praktijk. Zeldzaam drukwerk uit 1948, uitgegeven ter voorbereiding van het 7de CIAM-congres in 1949.Vele architecten lieten zich inspireren door de CIAM-ideeën, zoals Hugo Van Kuyck bij zijn ontwerpen voor de Antwerpse wijk Luchtbal. Brochure (z.j.).Vele architecten lieten zich inspireren door de CIAM-ideeën, zoals Hugo Van Kuyck bij zijn ontwerpen voor de Antwerpse wijk Luchtbal. Brochure (z.j.).Hoogbouw, zoals de woonblokken op het Kiel, lokte in de traditionele pers scherpe kritiek uit. In deze karikaturen en tekst relativeert Braem de dikwijls stereotiepe commentaren van de journalisten. Uit R. Braem, \'Vrijheid door orde voor een totale architektuur!\', <em>Bouwen en Wonen</em> (oktober 1958) 288-289.Renaat Braem. Schets van een stedeloze stad in de Kempen, met tekst \'Hoe de Kempen redden\' (1964). (© VIOE)<p>Renaat Braem, in samenwerking met Victor Coolens, L\'Equerre, René Panis, Groupe Structures en Jean Van Doosselaere, modelwijk Heizel in Brussel (1955 e.v.). (foto A. De Belder)</p>