de balans van braem
provincie Antwerpen

Monumentenzorg: bewaren om te inspireren

Waarom monumentenzorg?


Braem zag monumentenzorg niet als een werkterrein of doelstelling op zich, maar wel als een instrument om specifieke gebouwen en sites te beschermen. De aandacht diende te gaan naar een met kennis samengestelde selectie monumentaal erfgoed dat de Vlaamse culturele identiteit vertegenwoordigde. Dat patrimonium verdiende bescherming en zorgzame omgang omwille van zijn cultuurhistorische relevantie en zijn waarde in een eigentijds leefmilieu. Bovendien kon het ook inspirerende impulsen genereren voor architecten en leverde het op die manier voedsel voor een creatieve en heilzame toekomst. Braems visie omvatte echter niet alleen een dynamische omgang met waardevol erfgoed. Even belangrijk was de zorg voor het natuurschoon en het milieu in het algemeen. Daarom bepleitte hij ook van bij zijn aanstelling tot lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) in 1969 een grondige herbronning van de commissie. Zij moest uitgebouwd worden tot een instantie die door redding van waardevol erfgoed en natuurschoon een toekomst zou garanderen waarin esthetische en ethische waarden en een natuurlijk en mensvriendelijk klimaat zouden zegevieren. Ter ondersteuning van de werking van de KCML zag Braem de oprichting van een adminstratie van experten tegemoet, waarin hij een leidende rol toekende aan jonge archtecten en stedenbouwkundigen.

Braem bleef deze utopische visie consequent verdedigen, terwijl in de jaren 1960-1970 monumentenzorg een zelfstandige discipline werd met een internationaal aanvaarde visie en werkprogramma. De praktische uitwerking daarvan had groeiende aandacht voor de vrijwaring van historische stadskernen, voor kleine monumenten, voor historische relicten van een eeuwenlange bouwpraktijk zonder architecturale pretentie en integreerde gaandeweg miskend patrimonium, zoals neogotiek of industrieel erfgoed. Zeker in die periode vormde de brede protestbeweging tegen de grootschalige aantasting van de leefomgeving in stad en dorp een stuwende kracht, die op het terrein indrukwekkende resultaten boekte maar ook de groei van netwerken en expertise stimuleerde. Al deelde Braem beslist bepaalde aandachtspunten met deze snel groeiende en zich professionaliserende sector, toch stonden hun standpunten ver uit elkaar.

Braem werd in zijn functie van lid en ondervoorzitter van de KCML nadrukkelijk geconfronteerd met dit conflict. Zijn reactie was tweeledig. Enerzijds hield hij vast aan zijn eigen discours, inclusief een volgehouden pleidooi voor de heroriëntatie van de KCML. Dat standpunt bepleitte hij niet alleen intern, maar ook in verschillende artikels en interviews. Nog in 1993 schreef hij: “Ikzelf was jaren lid van de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen. Ik ervoer die titel allengs als KCvM&L van het verleden, hoewel ik in de praktijk geloofde in een KCvM&L van morgen: de toekomst is immers veel belangrijker dan het verleden. Dit bepaalt dus mijn opvattingen inzake restauratie en nieuwbouw. Het is m.i. veel belangrijker dat de samenleving zich bezighoudt met een schone en redelijke toekomst dan met het restaureren van een verleden dat men probeert als meerderwaardig t.o.v. het heden voor te stellen of althans impliciet als dusdanig wil doen aanvaarden”. Anderzijds zette Braem zich in voor verschillende concrete dossiers die appelleerden aan zijn visie. Dat geldt voor zijn beschermingsvoorstellen in 1969 voor de bedreigde Cogels-Osylei en voor een geheel van drie woningen van Emile Van Averbeke in de Mercatorstraat in Antwerpen: Braem heeft immers steeds zowel het oeuvre van Van Averbeke als de Cogels-Osylei – en bij uitbreiding de hele Zurenborgwijk in Berchem – beschouwd als waardevol Vlaams cultuurpatrimonium dat absoluut moest behouden blijven. De historische bouwproductie die buiten die strenge selectie viel, had geen of weinig intrinsieke bouwkundige en cultuurhistorische waarde, vormde een mensvijandige leefomgeving en kon bijgevolg niet op bescherming rekenen.

Braem mengde zich met ijver in het debat rond de sanering en herbebouwing van de historische Vleeshuiswijk in Antwerpen. Een voorgeschiedenis van verwaarlozing, oorlogsschade door een bominslag in 1944 en een nooit uitgevoerd Bijzonder Plan van Aanleg uit 1950 bracht het stadsbestuur uiteindelijk in 1958 tot een nieuw en radicaal saneringsplan met een ontwerp voor een nieuwbouwwijk. Daarin zouden hoge woonblokken haaks op de Scheldekaaien gecombineerd worden met een groot plein met flatgebouwen voor het Vleeshuis. Het oude stratenpatroon en 65 % van het gebouwenpatrimonium zou gesloopt worden. Ondanks weerwerk van de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen werd deze sloop uitgevoerd. Tegelijk werd vanaf 1959 onder impuls van stadssecretaris K.C. Peeters het plan uitgewerkt om in het Openluchtmuseum Bokrijk een stadskwartier op te bouwen, grotendeels met in Antwerpen afgebroken gebouwen, aangevuld met huizen uit andere steden en kopieën van Antwerpse gebouwen die ter plaatse bewaard bleven. In 1969 ontstond een wetenschappelijke uitwerking van het plan Oude Stad, en in 1975 werd het eerste huis in Bokrijk voltooid. Het stadskwartier zou nooit voltooid geraken en biedt een monumentale illustratie van de conflictueuze relatie tussen stadssanering en monumentenbeleid in de decennia 1960-1970. In Antwerpen kreeg het project felle tegenkanting en was het zelfs de rechtstreekse aanleiding voor de oprichting van het Aktiekomitee Oude Stadskern, een koepel die tal van groeperingen en zwaargewichten uit de plaatselijke cultuursector samenbracht tegen de verregaande verloedering en sloop van de historische stadskern. Onder deze aanhoudende druk reageerde het plaatselijke beleid door in 1971 een schepenambt voor ruimtelijke ordening te creëren, en mandataris Bob Cools huldigde het standpunt dat Antwerpse gevels voortaan in Antwerpen moesten blijven. Braem heeft zich niet ingezet tegen de sloop van de Vleeshuiswijk. Daarvoor was het raakvlak met zijn rechtlijnig volgehouden exclusieve visie op monumentenzorg te klein. Wel speelde hij in de KCML een hoofdrol bij de kritische begeleiding van het ontwerp voor de nieuwe stadswijk rond het Vleeshuis. Dat leidde tot verregaande aanpassingen van het ontwerp van architect Groothaert. Het definitieve ontwerp werd vanaf 1975 uitgevoerd.

Braems selectieve engagement voor het historische gebouwenpatrimonium kwam ook naar voren in het optreden van de KCML in een ander dossier rond een bouwblok Kipdorp-Jan Van Lierstraat-Keizerstraat-Paternosterstraat. Het project had een jarenlange voorgeschiedenis van speculatieve sloop en verwaarlozing van het terrein. Toen de toenmalige UFSIA in 1970 op een nabijgelegen bouwblok in de Keizerstraat een 40 meter hoge toren bouwde om er voor haar studenten een restaurant en woonvoorziening onder te brengen, kreeg het project een nieuw elan. Bedoeling was om een even hoog flatgebouw op te trekken. Het gehele bouwblok, gelegen tegenover de sinds 1936 als monument beschermde Sint-Annakapel in de Keizerstraat, met inbegrip van een beeldbepalende historische bebouwing, zou daardoor verdwijnen. Het zou neerkomen op een nieuwe bres in de historische Keizerstraat, nadat UFSIA in de jaren 1960 al het huis de Fraula en andere historische panden had gesloopt als aanloop voor de bouw van de studententoren.

Het groteske plan lokte zoveel protest uit van de Bond van Vlaamse Stedebouwkundigen, de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedeschoon en de Aktiegroep Oude Stad (AGOS), dat het stadsbestuur op 22 april 1971 een vergadering belegde met de KCML. Bedoeling was het BPA te laten beoordelen dat het bouwproject diende mogelijk te maken. Schepen van Openbare Werken Jos Posson verdedigde het project dat een lange voorgeschiedenis had en komaf zou maken met een toen al jaren aanslepende situatie van verkrotting en braakliggend terrein. Maurice Naessens, voorzitter van de KCML, wenste de commissie in een dergelijke context niet te laten gebruiken als eventuele spelbreker in een uitgestippeld scenario en verliet de vergadering. Daarop werd Renaat Braem waarnemend voorzitter en hij liet in aanwezigheid van de schepen de stemming plaatsvinden. Het BPA werd met 8 stemmen op 15 goedgekeurd, wat volgens Braem een duidelijke instemming met het project impliceerde. Deze gang van zaken werd in de media zwaar op de korrel genomen. Met name wekte de deontologie rond de besluitvorming verontwaardiging, net als de familiebanden tussen de schepen en de architect van het project. De hoofdrolspelers in deze onfrisse zaak werden expliciet gehekeld. Het meest opmerkelijke is wel dat een meerderheid van de KCML ertoe kon bewogen worden een project goed te keuren dat haaks stond op de beleden principes van stadskernvernieuwing en monumentenzorg. Ondanks het bestaan van een geëigend beleidsinstrumentarium bleef het risico op nefaste ingrepen in het historische stadsweefsel reëel. De geschiedenis leert helaas dat dergelijk instrumentarium weliswaar een noodzakelijke voorwaarde is, maar geen absolute garantie inhoudt voor een gunstig beleids- en uitvoeringsklimaat. Dat klimaat kende in de periode 1960-1970 doorlopend periodes van storm en onweer. Na de commotie in 1971 ontsnapte het bouwblok in de Keizerstraat overigens aan het dreigende onheil, en drie decennia later verrees op de braakliggende terreinen een woonblok met een banale neopastorale vormgeving.
Wannes Van de Velde nam in zijn <em>Nieuw lied van de Antwerpse Urbanisatie</em> de grootschalige sloop- en bouwwerken in Antwerpen op de korrel. Het nummer verscheen op Wannes Van de Velde 2 uit 1967. VRT-Beeldarchief




Braem stelt

De vroegere opvatting van monumentenzorg, te eenzijdig op handhaven van het verleden gericht, moet de plaats ruimen voor een bewust gerichte aktie over het geheel van het ons omringende milieu, waarbij behoud van het waardevolle en promotie van het nieuwe samen moeten geen. [...]
Samenvattend: er is een Hoge Instantie voor Visuele Kultuur nodig, al of niet voortzetting of identiek aan de Koninklijke Kommissie voor Monumenten en Landschappen. Deze raad moet de opdracht hebben een politiek te voeren van redding van het verleden en promotie van een schonere toekomst inzake environment.


quote uit
R. Braem, Vlaanderens geschonden gezicht, in De Standaard, 13 december 1969

1/2

vorigevolgende
22 beelden
vergroot foto's
Panorama van de Burchtgracht en omgeving.
Panorama van de Burchtgracht en omgeving.De historische bebouwing van de Zilversmidstraat en de Willem Ogierplaats vóór de kaalslag van de Vleeshuiswijk.Kaalslag in de Vleeshuiswijk: hoek Oude Beurs - Lange Doornikstraat.De historische bebouwing van de Zilversmidstraat verdween volledig als onderdeel van de kaalslag in de Vleeshuiswijk.De houten gevels van het huis De Witte Engel in de Zwartzustersstraat in Antwerpen. Dit uitzonderlijke pand werd in 1971 gesloopt en vervolgens als eerste heropgebouwd in de Oude Stad in Bokrijk.De zone Oude Stad in Bokrijk in opbouw. Gezicht op het huis in de Zwartzustersstraat met houten gevel. De zone Oude Stad in Bokrijk in opbouw. Gezicht op het huis in de Zwartzustersstraat met houten gevel.Voorontwerp voor de zone Oude Stad in Bokrijk, versie maart 1969, met identificatie van de gebouwen. Verschillende nooit overgebrachte monumenten staan op het plan, zoals het Sint-Barbaragodshuis in de Lange Nieuwstraat en het huis De Fraula in de Keizerstraat (huisnummer 45).Voorontwerp voor de zone Oude Stad in Bokrijk, versie maart 1969, met identificatie van de gebouwen. Verschillende nooit overgebrachte monumenten staan op het plan, zoals het Sint-Barbaragodshuis in de Lange Nieuwstraat en het huis De Fraula in de Keizerstraat (huisnummer 45).Maquette van de Oude Stad in het openluchtmuseum Bokrijk.Niet uitgevoerd ontwerp van Roger Groothaert voor de Vleeshuiswijk (1970).De Vleeshuiswijk kort na de voltooiing.De voorgevel van het huis De Fraula in de Keizerstraat.Een schouw in het huis De Fraula in de Keizerstraat.Het huis De Fraula tijdens de afbraakwerken. Zij- en tuinvleugel.Het huis De Fraula tijdens de afbraakwerken. Voorgevel van de tuinvleugel.Keizerstraat geen Manhattan! Studentenprotest tegen de afbraak van het Sint-Annahuis op de hoek Keizerstraat-Koningstraat. Artikel in Het Handelsblad, 27 februari 1970.Het Sint-Annahuis op de hoek Keizerstraat-Koningstraat.Affiche van AGOS als protest tegen de sloop in de Keizerstraat, 1970.De geschiedenis van het geplande torengebouw tussen Kipdorp en Keizerstraat kreeg een pittig vervolg in de krant. <em>De Standaard</em>, 25 juni 1971.Hoekhuis Zirkstraat-Vleeshouwersstraat, bedreigd maar uiteindelijk gered.Deze karikatuur hekelt enkele protagonisten op niet mis te verstane manier. Duidelijk herkenbaar is ook het hoekhuis Zirkstraat-Vleeshouwersstraat.